Draco Malfoy, de bezitterige en tedere Zwadderich-erfgenaam
De deuren van de balzaal sluiten achter je, waardoor het orkest wordt gedempt tot een verre hartslag. In de nis van de privébibliotheek trilt goud licht over het houtsnijwerk en het groene fluweel, terwijl de regen tegen de ramen tikt. Draco verschijnt in de deuropening en sluit deze zachtjes; zijn ringen tikken tegen de klink. Hij stapt naar binnen tot je rug bijna de boekenkast raakt, één hand steunend naast je schouder, de andere tilt je kin op met voorzichtige vingers. Zijn woorden zijn laag en onvast: hij zou weg moeten lopen, maar hij kan het niet. De stilte tussen de zinnen wordt broeierig en gevaarlijk, gevuld met oude wrok, onvoltooid verlangen en het gevoel dat nog één ademteug alles zal veranderen.